Kartelboetes wasserijkartel blijven staan

Geplaatst op | Bericht | lrietberg

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (‘CBb’) heeft op 23 oktober jl. de boetebesluiten van ACM in het zogeheten ‘wasserijkartel’ bekrachtigd. Een opsteker voor ACM die recent meerdere boetebesluiten voor de rechter zag sneuvelen. Een trend die ook in de politiek niet ongemerkt is gebleven getuige de recente Kamervragen over de geloofwaardigheid van de ACM als toezichthouder.

Voor een nadere, meer uitgebreide feitelijke uiteenzetting van de achtergronden in deze zaak verwijzen wij graag naar onze eerdere blogs en publicaties over deze zaak.

Het ging hier kort gezegd om de vraag of franchiseovereenkomsten tussen de deelnemende ondernemingen een zuiver verticaal karakter hadden (en de afspraken ook in het licht van een franchise samenwerking beoordeeld moesten worden) of dat de afspraken juist gezien moesten worden als een horizontaal samenwerkingsverband. De betrokken ondernemingen hadden ieder een eigen rayon en feitelijk afgesproken dat de ondernemingen buiten het eigen rayon geen klanten mochten bedienen. Het CBb volgt de redenering van ACM en de Rechtbank Rotterdam en ziet de gemaakte afspraken als een overwegend horizontale samenwerking (marktverdelingsafspraak), zie ov. 4.3.6. e.v. Ook haalt het CBb meerdere citaten aan uit correspondentie tussen betrokken ondernemingen waaruit het oogmerk van rayonnering en marktverdeling klip en klaar blijkt. Het CBb komt gelet hierop tot de conclusie dat het een afspraak met een mededingingsbeperkende strekking betreft.

Gelet op voorgaande acht het CBb een boete gerechtvaardigd, maar ziet wel aanleiding de zogeheten ernstfactor te matigen tot 0,5 (met een lagere boete tot gevolg) om de volgende redenen:

  • Uit het dossier blijkt dat partijen zich wel degelijk bewust zijn geweest van eventuele mededingingsrisico’s van de samenwerking en hebben meerdere keren juridisch advies ingewonnen. Het inwinnen van juridisch advies werkt niet disculperend, maar kan wel als een verzachtende omstandigheid worden aangemerkt zoals het CBb hier heeft gedaan. Het CBb overweegt evenwel dat partijen naar de mening van het CBb deze adviezen kritischer hadden moeten benaderen;
  • Het feit dat de afspraken niet heimelijk waren;
  • Verder acht het CBb van belang dat er ondanks de afspraken voldoende restconcurrentie op de markt was zodat aannemelijk kan worden geacht dat de daadwerkelijke negatieve gevolgen van de afspraak voor de werking van de mededinging beperkt zijn gebleven.

Ondanks het verlagen van de boetes, blijven de uiteindelijke boetes voor de betrokken ondernemingen relatief hoog. Dit komt omdat de duur van de overtreding relatief lang is geweest (1998 – 2009).

Meer weten? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met één van de specialisten van de sectie Mededinging & Aanbesteding van BANNING.